Het lighaam met vlekken tekenen

Al snel nadat Tahiti in 1767 door Europeanen was ontdekt, werd het beschouwd als een aards paradijs met een heerlijk klimaat en een al even aantrekkelijke seksuele moraal; Louis de Bougainville noemde het dan ook Nouvelle Cythère. In verschillende achttiende-eeuwse reisverslagen zijn de gebruiken van de Tahitianen vastgelegd. Een van deze gebruiken was het tatoeëren van grote delen van het lichaam. In het verslag van James Cooks eerste wereldreis wordt deze gewoonte gedetailleerd beschreven. Van dit verslag verscheen in 1774 een sterk verkorte Nederlandse vertaling; op pagina 229 van deze vertaling wordt in vijf regels het tatoeëren beschreven. Deze passage is in de vertaling van Jan David Pasteur, verschenen in 1795, sterk uitgebreid en telt nu liefst vier pagina’s, vergezeld van een fraaie gravure waarop drie instrumenten zijn afgebeeld die gebruikt worden bij het tatoeëren. Op Tahiti werd het gezicht, anders dan in Nieuw Zeeland, niet getatoeëerd (zie afbeelding onder).

“Zij prikken het vel zo diep als mogelijk is zonder bloed te voorschijn te brengen met een klein werktuig, enigermate in de gedaante van eene spade; het gedeelte, dat met het blad overeenkoomt, is van been of schulp gemaakt, zeer dun afgechrapt, en van een vierde duims tot anderhalven duim breed; de rand is in scherpe tanden of punten gesneden van drie tot twintig in getal naar deszelfs grootte; als zij dit werktuig gebruiken zullen, doopen zij de tanden in een mengzel van een soort van lampzwart, dat zij bekoomen van den rook, die uit eene olieachtige noot oprijst, welke zij in plaats van kaarssen branden, en dat zij met water mengen; als de tanden dus toebereid zijn, worden zij op het vel geplaatst en men geeft op het handvatzel, waaraan zij vast zijn, met een stokjen, dat daartoe gemaakt is, snelle vrij harde slagen, waardoor de zij de huid doorbooren en tegelijk de zwarte verw in de gaatjens brengen, dat eene onuitwischbaare vlek nalaat. Deeze konstbewerking is pijnlijk en daar verloopen enige dagen eer de wonden geheeld zijn.” 

Pasteur vertelt dat Joseph Banks, die meereisde op Cooks Endeavour, een urenlange tatoeëersessie bijwoonde waarbij de billen van een ongeveer 14 jaar oud meisje werden getatoeëerd. Dit verslag is ook te vinden in het Endeavour dagboek van Banks dat Beaglehole in 1962 bezorgde. Banks vertelt dat het meisje de operatie aanvankelijk gelaten onderging, maar na enige tijd begon te schreeuwen van de pijn. Wat Banks echter niet aan zijn dagboek toevertrouwde, was dat hij zelf ook een tatoeage liet plaatsen, en wel op zijn arm. Dit weten we uit een brief die Charles Davy schreef aan Joseph Banks en waarin hij informeerde naar diens “characters stain’d upon your arm”.

Advertenties
Geplaatst in Voyages of Discovery | Tags: , , ,

Lieflijkheyd sonder verdriet – Excommuniceerde

“hoe gelukkig is het land, welkers Overheden tot die wijsheyd gekomen zijn, datse hun land-bestier niet gegrond hebben op den suyl van eenderley Gods-dienst”

Excommuniceerde, uytgebannene uyt de gemeente, uytgestootene uyt de gemeente, gebannene uyt de gemeente, verwaatene[1], uyt de gemeenschap gehoudene, is een die om ergerlijke leere, of leeven uyt de gemeenschap der geloovigen verstooten is. By die vande roomsche Gods-dienst (in die plaatsen of landen daar de selve geagt word als een suyl des staats) word seer ligtelijk den ban, vloek, ja ter dood brenging, gelijk sulks veel duysend maalen gebleeken is, en nog blijkt, gebruykt tegens die, dewelk een weynig anders van gevoelen was, en is, als sy geestelijken hebben willen, dat hy sal zijn: al schoon sijn gevoelen of leer veel schriftmaatiger is of was, als de geestelijkheyd gestelt heeft, so word het evenwel een ergerlijk gevoelen of leer genoemt. Sy en letten niet , dat het onmoogelijk is, om de verscheydenheyd der opvoeding en onderwijsing: dat men alle in geloofssaaken van een gevoelen kan zijn, voornaamentlijk daar men malkander onverstaanbaare geloofsstellingen opdringt, en oversulks tegen de reden, datmen malkander daarom ter dood brengt, vloekt en bant. Die vande herstelde God-dienst konnen mede al heel fijntjes, gelijk eenige maalen gebleeken is, iemand betigten van een ergerlijk gevoel of leer te zijn, die iets anders gevoelt, alhoewel veel schriftmaatiger en na de reden als eenige van haar gemeene stellingen, die sy gestelt hebben buyten de schrift, zijn mede brengende. Dog sy en hebben, gelijk de roomsche hebben, geen magt, anders als de uytsluyting uyt de gemeente, en dat heeft voor luyden van kennis, die sy daar mede willen dreygen, weynig te beduyden. Dan sy wilden wel, soo ik vertrouw, datmen hun hier te lande mede soodanige volstrekte magt toestond, ik geloof sy soudent mede bond genoeg maaken, en weynig de liefde en verdraagsaamheyd oeffenen, diemen maar alleen behoorde te oeffenen. Maar o! hoe gelukkig is het land, welkers Overheden tot die wijsheyd gekomen zijn, datse hun land-bestier niet gegrond hebben op den suyl van eenderley Gods-dienst, om welke staande te houden men geduurig van nooden heeft, te bannen, te vloeken, te hangen, te branden, en dood te slaan: maar alleen op goede land-wetten en billijk land-bestier, waar by sy toelaaten, ’t welk strekt tot bloey en welvaaren des lands, dat ieder vogelken mag singen na dat het gebekt is. ’t Is wel waar dat sy Overheden an de meeste vogelkens van eender veer en bek de grootste kouwen[2] om by malkander te vliegen, toestaan, en dat de minder en minder hoop van ander gebekte vogelkens kleynder en kleynder kouwekens hebben, soo zijnse dog alle even gelijk ten ansien vande bescherming, en gebruyk van ’s lands regt. En somtijds heeft een kleyn kouweken meer gemak en ligt, als de grooten. Soo dat een voogel uyt de groote kooyen uytgepikt en gebeeten zijnde ligtelijk, sonder dat het sik daar over behoeft te ontstellen, kan en mag na een vande kleyne kooykens toevliegen, en daar gemakkelijk onder de schaduwe des wijnstoks en vijgebooms rusten, sonder afgunst of nijdigheyd onderworpen te zijn. Om een ergerlijk leeven als ’t niet al te grof gaat en sullen die vande roomsche kerk niemand ligtelijk iets, ’t geen tot nadeel van eer strekt, an doen, als iemand maar eens biegt, is alles weer vergeeven. Maar die vande herstelde Gods-dienst sullen iemand ligtelijker voornamentlijk die sy soo wat haatig zijn, in sijn eer tasten en uytsluyten of bannen om een geringe oorsaak. Dog of sy daar wel en voorsigtig an doen, geef ik elk te bedenken: daar sy selfs wel weeten, datse soo fijn niet leeven, of altijd geleeft hebben, alse nu wel schijnen. Dat de gemeene mensch wist, hoe ‘er veel geleeft hebben, en veel nog leeven, sy souden er de walg af hebben, en sy soudense soo veel niet agten als sy nu doen.

[1] Het woord ‘verwatene’ is in onbruik geraakt. Het WNT definieert het als volgt (eerste betekenis): Iem. die uitgesloten is van de kerkgemeenschap of van kerkelijke, gewijde handelingen; iem. die in den kerkelijken ban gedaan is; ook: iem. die uit een bep. gemeenschap gestooten is, verstootene. Er volgt o.a. een verwijzing naar Koerbaghs ’t Nieuw woorden-boek der regten (1664).
[2] Koerbagh gebruikt het woord ‘kouw’ in de betekenis van Kooi om een zang- of siervogel in te vangen of gevangen te houden  (WNT). In deze betekenis kwam het begrip voor in de zestiende, zeventiende en de (vroege) achttiende eeuw.
Geplaatst in Enlightenment | Tags: | 2 reacties

Lieflijkheyd sonder verdriet – Antipoden

Antipoden, tegen-voeters, tegen-voetelingen, sijn menschen die an de andere zijde des aardkloots regt onder ons woonen. De ouden hebben sik ingebeeld, dat de aarde plat was, voornaamentlijk de geestelijken, onder anderen ook Augustinus, de selven en hebben niet willen gelooven, datter tegen-voeters waaren, hoe seer men hun dat selve met reden toonden. Ja sy hebben Viglius, een opsiender der Gemeente te Ments, van sijn staat en waardigheid berooft, om dat hij seyde en bewees dat de aarde rond was. En nu weet de minste scheeps jongen wel, dat de aarde rond is, en dat men de selve kan om zeylen. Maar soo wel mag men sik op de wijsheyd en geleertheyd, der geestelijken betrouwen: gelijk gy siet. Dog sy hebben nog soo veel groover misslagen, en dwaalingen, dat het op een niet an komt.

Geplaatst in Enlightenment | Tags: | 1 reactie

Lieflijkheyd sonder verdriet

“Libertijn, een vrygemaakte, vrygelaatene, vrygemaakte knegt, die van sijn slaaverny en dienstbaarheyd vrygemaakt en ontslaagen is.” 

Een van de meest intrigerende, vermakelijke en inspirerende boeken uit de zeventiende eeuw is Een bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet. Dit bastaardwoordenboek werd in 1668 gepubliceerd door de Amsterdamse rechtsgeleerde en medicus Adriaen Koerbagh, met hulp van zijn broer Johannes. Het bevat de Nederlandse vertaling van duizenden bastaardwoorden afkomstig uit het Grieks, Latijn, Hebreeuws en Frans, van Abienatie tot Zodiak. Dit woordenboek was bedoeld om de lezers te behoeden voor bedrog en misleiding. Koerbagh legt in het voorwoord uit dat juristen, medici en theologen met opzet moeilijke woorden gebruiken om de gewone man om de tuin te leiden, vooral de clerus maakt zich hier op schandelijke wijze schuldig aan. Vele lemma’s in Een Bloemhof bevatten dan ook uiterst vermakelijke en zeer scherpzinnige aanvallen op de geestelijkheid met haar belachelijke leerstellingen die niemand begrijpt en die geen weldenkend mens zou moeten geloven. Ook de bijbel blijkt vol te staan met onzin. In een bootje van 300 el (21 meter) zouden alle dieren van de aarde ondergebracht moeten zijn – flauwekul natuurlijk. Maar, zo redeneert Koerbagh, deze onzin kunnen we de schrijver van de bijbel niet aanrekenen, want hij was er zelf niet bij. De bijbel is dan ook een boek als elk ander, net als Rijntje de Vos. Zo ontdoet de auteur keer op keer allerlei dure woorden van hun betekenis. Het woord metafysica, “na aart-kunde, of na natuur-kunde”, bijvoorbeeld blijkt onzinnig en dus overbodig: “Dog also daar maar een natuur is, en buyten die niets, so kan daar ook niet meer als natuurelijke weetenschap zijn, en buyten die niets.” Koerbagh ontkent verder dat iets geschapen kan worden uit niets, dat Jezus de zoon van god was, hij wijst de Heidelbergse catechismus af, ontkent het bestaan van engelen, duivels en wonderen, verdedigt het concubinaat, en komt vooral voortdurend op voor de redelijkheid: als mensen beter zouden nadenken, zou er snel een eind komen aan de eindeloze godsdiensttwisten. Hiermee had de auteur helaas de grens van de censuur ver overschreden. Hij probeerde nog een andere verhandeling te laten drukken, maar werd voortijdig opgepakt en uiteindelijk veroordeeld tot een boete van 4000 gulden plus de proceskosten, 10 jaar gevangenisstraf in het rasphuis en daarna, mocht hij dit overleven, 10 jaar verbanning uit Holland. Hij overleed echter al na enkele maanden in gevangenschap.

             

Er is de laatste jaren veel belangstelling ontstaan voor deze onverschrokken vrijdenker. Over de publicatiegeschiedenis van Een bloemhof bestaat echter enige onduidelijkheid. Het boek verscheen met het impressum “t’ Amsterdam, gedrukt voor den schrijver.” Maar er bestaan ook exemplaren waarin nog een tweede titelpagina te vinden is, met daarop alleen het pseudoniem Vreederijk Waarmond en het gefingeerde impressum “Gedrukt te Leyden voor Goedaart onderwys” (zie illustraties hierboven). Hoe zit dit? De beschrijving in de Short Title Catalogue Netherlands is gebaseerd op de exemplaren met de naam van de auteur.  Een toevoeging probeert de situatie te verduidelijken: “Some copies with additional title-page without author’s name and with imprint: Gedrukt te Leyden voor Goedaart Onderwys, 1668.” Het woord “additional” is hier echter misleidend. De titelpagina  met het Leidse impressum is namelijk folium *1 van het eerste katern en vormt een dubbelblad met folium *8. Dit is dus de oorspronkelijke titelpagina die vervangen  had moeten worden door het cancellans mét de naam van de auteur, wat echter niet in alle exemplaren is gebeurd zodat in sommige exemplaren zowel het cancellandum als het cancellans aanwezig zijn. Dit leidt tot de verrassende conclusie dat Koerbagh aanvankelijk zijn tekst anoniem op de markt wilde brengen, maar zich later bedacht. Stan Verdult werpt op zijn interessante site de mogelijkheid op dat Koerbagh een deel van de oplage voor zijn vrienden van een titelpagina mét zijn naam liet voorzien. Dit klinkt aannemelijk, maar is onwaarschijnlijk als je bedenkt dat de titelpagina met auteursnaam helemaal opnieuw is gezet, terwijl in een deel van de oplage slechts de auteursnaam toegevoegd had hoeven worden (wat in de handpersperiode wel vaker gebeurde).

Geplaatst in Book History, Enlightenment | Tags: , | 2 reacties

John Hawkesworth & James King

Bovenstaand dubbelportret markeert het begin en het einde van James Cooks glansrijke carriëre. Nadat Cook zijn eerste wereldreis had voltooid, werd de literator John Hawkesworth (1720-1773) aangezocht om het officiële verslag te schrijven. Dit verscheen in 1773 in drie delen waarin ook de reizen van Byron, Wallis en Carteret verwerkt waren. Cook was zeer ontevreden over de prestatie van Hawkesworth, die veel zaken verkeerd zou hebben weergegeven, en bovendien in de eerste persoon. James Cook zelf had echter veel indruk gemaakt op de bewindvoerders van de Admiralty, met als resultaat dat hij nog twee keer de wereld mocht omzeilen. De laatste reis zou hem fataal worden: op 14 februari 1779 kwam hij op geweldadige wijze om het leven in de Kealakekua Baai (Hawai’i). James King (1750-1784), de andere geportretteerde, voer mee op de Resolution tijdens deze derde reis. Na de dood van Cook (en de dood van James Clerke kort daarop) nam hij het commando over van de Discovery en bereikte Engeland in oktober 1780. King vulde later de aantekeningen van Cook aan, zodat hun beider naam prijkt op de titelpagina van het officiele reisverslag van Cooks derde en laatste wereldreis. Het portret werd gegraveerd door Thornton en rond 1785 gepubliceerd door Alexander Hogg in een compilatie van de drie reizen door William Anderson, maar mogelijk werd het tevens los uitgegeven. 

Geplaatst in Voyages of Discovery | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Tschichold zieht um

Geplaatst in Book History | Tags: , | Een reactie plaatsen

Zin en onzin

Er bestaan eindeloos veel interessante boeken, maar oneindig veel meer oninteressante. Van de duizenden boeken uit de handpersperiode zijn er maar weinig die nu nog de moeite waard zijn. Zeker, er bestaan reisverslagen van Joris van Spilbergen en François Pelsaert, het eerste boek met een afbeelding van Saturnus, de werken van Adriaan Koerbagh, de poëzie van Matthijs van de Merwede, de avonturen van Jan Stront, studies over microscopie, beschrijvingen van Hottentotse schaamlippen, rijk geïllustreerde werken over de vogels van Brazilië,  verhandelingen over de aard van het licht, enz. Het grootste gedeelte van de vroegmoderne boekproductie bestaat echter uit theologische haarkloverijen. Er zijn talloze boeken gepubliceerd waarin geleerden zich afvragen hoeveel engelen er op de punt van een speld passen, welke taal er in het Paradijs gesproken werd, hoe het bestaan van een opperwezen bewezen kan worden, op welke dag er gerust dient te worden, of dansen geoorloofd is, hoe machtig de duivel is, enz. Vervolgens werden natuurlijk nog ontelbaar vele boeken gewijd aan bittere twisten tussen theologen, die een enkele keer zelfs uitmondden in een burgeroorlog. – En ondertussen keek Christiaan Huygens naar Saturnus.

Geplaatst in Book History | Tags: | Een reactie plaatsen