Op het strand geworpen

Op 5 april 1826 zag de bemanning van twee vissersschuiten net buiten de kust van Wijk aan Zee een vinvis ronddrijven. De vissers, bijgestaan door de dorpelingen, sleepten “den levenloozen kolossus” naar het strand, waar hij direct veel bekijks trok. De jonge naturalist Hermann Schlegel (Altenburg 1804 – Leiden 1884) zag zijn kans schoon en spoedde zich op 8 april naar het strand om het beest te bestuderen. Het was een koude en regenachtige dag, maar ’s avonds sloeg het weer om; de volgende dag was het opvallend warm en zonnig. Door dit “schoone weder, de aanhoudende zuidenwind, en de, inderdaad voor het jaargetijde brandende, zonnestralen” begon de vinvis snel weg te rotten. De weke delen, inclusief de geslachtsdelen, verkeerden al in dusdanige staat van ontbinding dat aan bestudering niet meer te denken viel. Schlegel wist echter nog twee tekeningen van het dier te maken en probeerde het vervolgens te determineren.

Zijn bevindingen publiceerde hij in 1831 in het derde deel van de Nieuwe verhandelingen der Eerste Klasse van het Koninklijk-Nederlandsche Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten te Amsterdam. Met dit artikel maakte Schlegel, die later grote faam als ornitholoog zou verwerven, zijn debuut in de wetenschappelijke wereld. De tekst is geïllustreerd met twee fraaie gravures door D. Sluyter naar de tekeningen van Schlegel. In de tekst behandelt de auteur verschillende walvisstrandingen en probeert, waar mogelijk door anatomische vergelijking, te achterhalen tot welke soort de gestrande dieren hebben behoord. Voor het bij Wijk aan Zee aangespoelde dier, dat normaal gesproken voorkomt in de “noordelijken oceaan, tusschen Azië en Amerika”, stelt hij de naam Balaena sulcata voor. Latere onderzoekers hebben deze naam echter niet overgenomen.

Zo publiceerde A.B. van Deinse in 1918 een interessant artikel ‘Over de vinvisschen in de landen om de Noordzee gestrand tusschen de jaren 1306 en 1918’ (Zoologische medeelingen vanwege ’s Rijks Museum voor Natuurlijke Historie te Leiden, dl IV, afl. 4). In het artikel is een lijst opgenomen met alle desbetreffende strandingen. Als nummer 52 wordt de stranding bij Wijk aan Zee behandeld. Volgens Deinse ging het hierbij om een Balaenoptera physalus (Linnaeus 1758), een soort die in alle wereldzeeën voorkomt; exemplaren hiervan stranden eens in de zes tot tien jaar op onze kusten. Deinse heeft ook enige kritiek op de “overigens zoo goede tee-keningen” van Schlegel: “De keel- en borstplooien hebben daar de zonderlinge fout, dat ze alle evenwijdig met elkaar geteekend zijn, terwijl in werkelijkheid genoemde plooien elkaar op tal van plaatsen snijden.”

In zijn Verhandeling vermeldt Schlegel dat het skelet van de vinvis werd aangekocht door het Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden, waar hij conservator was. Een decennium later, in 1841, kwam hij nog een keer terug op de stranding in zijn Abhandlungen aus dem Gebiete der Zoologie und vergleichenden Anatomie (Heft 1). Hier gaat hij nog wat dieper in op de anatomie van de vinvis en vermeldt bovendien op pagina 42 dat het in 1826 gestrande exemplaar “an das Pariser Museum abgegeben” is. Vermoedelijk is de Jardin des Plantes bedoeld.

Interessant is dat de stranding ook wordt beschreven in de autobiografie van de Haarlemse kostschoolhouder Willem van den Hull (1778-1854). Abusievelijk verplaatst Van den Hull de gebeurtenis naar de zomer: “In den zomer van 1826, werd een groote Vinvisch, eeven ten noorden Wijk-op-zee, op het strand geworpen. Duizenden, zoo van Haarlem als van elders, gingen dat reusachtig dier bezigtigen, en, op een zeer heten Zaturdag namiddag, geleidde ik mijne jongelieden insgelijks derwaarts” (p. 599). Het dier strandde op woensdag 5 april, dus waarschijnlijk heeft Van den Hull het beest op zaterdag 8 april bezichtigd; dezelfde dag dus waarop ook Schlegel op het strand was. Waar het bericht van Schlegel objectief wetenschappelijk is, beschrijft Van den Hull de vreselijke stank van de vinvis: “Weegens de ondragelijke hitte, stonk het dier zoo geweldig, dat mijne kleederen, nog verscheidenen dagen achter een, van die pestlucht doortrokken waren, schoon ik het dier niet had aangeraakt.”

Van Schlegels artikel verscheen een overdruk (op groot papier?), waarvan Boudewijn Büch een exemplaar bezat. Dit exemplaar werd op 23 november 2004 bij Bubb Kuyper geveild (nr 852) en vindt u thans hier afgebeeld.

Hermann Schlegel
Verhandeling over eenen, in het jaar 1826 aan de Noord-Hollandschen kust gestranden vinvisch. [Amsterdam 1831]
4°: A-C4 D1; pp. 1 2-25 [1]. Met buiten de collatie twee losse gravures van D. Sluyter naar Hermann Schlegel.
Overdruk uit: Nieuwe verhandelingen der Eerste Klasse van het Koninklijk-Nederlandsche Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten te Amsterdam, dl 3.

Met dank aan David A. Coppoolse.

Advertisements
Dit bericht werd geplaatst in Natural History en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s