Boeken, psychoanalyse en jeukende eileiders

Op 23 maart werden psychoanalytici opgeschrikt door het bericht dat zorgverzekeraar CvZ weigert psychoanalyse nog langer te vergoeden. Er blijkt namelijk onvoldoende wetenschappelijk bewijs te bestaan voor de werkzaamheid van de therapie. Verschillende organisaties hebben uiteraard al aangekondigd dit besluit te gaan aanvechten. Curieus genoeg verwijten De Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie en de vrijgevestigde psychologen en psychotherapeuten het CvZ eenzijdigheid: de zorgverzekeraar zou ten onrechte alleen “naar het wetenschappelijk bewijs en niet naar de ervaringspraktijk” hebben gekeken, zo meldde De Volkskrant op 26 maart. Met dit verwijt bevestigen de organisaties het gelijk van CvZ.

De 'Weense wonderdokter' Sigmund Freud

Dat de psychoanalyse beschouwd moet worden als pseudo-wetenschap, is al langer bekend. In de jaren 1950 opende de psycholoog Hans Jürgen Eysenck (1916-1997) de aanval op de therapie. En sindsdien is duidelijk geworden dat de meeste vormen van psychotherapie (behalve de gedragstherapie) hooguit tot financiële schade kunnen leiden. Ook de bekende auteur en lepidopteroloog Vladimir Nabokov beschouwde Freud reeds als een kwakzalver. De voorwoorden van zijn romans blinken uit in hoogwaardige scheldkanonnades aan het adres van de ‘Weense delegatie’. Een hoogtepunt vormt het voorwoord van The Eye, waarin de auteur over zijn romans opmerkt: “Freudians flutter around them avidly, approach with itching oviducts, stop, sniff, and recoil”.

Gek genoeg wordt de psychoanalyse ondanks deze kritiek nog steeds toegepast (in Nederland overigens nog maar heel weinig). Zelfs de verzamelaar is op de Freudiaanse divan gelegd. In 1994 publiceerde de psychoanalyticus Werner Muensterberger een studie over verzamelen met de titel Collecting. An Unruly Passion. Psychological Perspectives. Het eerste deel bestaat uit een reeks hoofdstukken waarin de motieven voor het verzamelen op psychoanalytische wijze worden verklaard. In deel twee worden verschillende casussen van verzamelaars behandeld, waarna nog enkele delen met historische excursies volgen. De eerste casus betreft een boekverzamelaar: de beruchte bibliomaan Sir Thomas Phillipps (1792-1872). Phillipps streefde ernaar een exemplaar te bezitten van elk boek op aarde. Dit ideaal heeft hij uiteraard niet kunnen verwezenlijken, maar hij bezat aan het eind van zijn leven wel de grootste verzameling manuscripten die ooit door iemand was bijeengebracht. Het ging hem echter niet zo zeer om de inhoud maar vooral om de kwantiteit; voor het lezen van boeken liet zijn obsessie hem nauwelijks tijd. De jacht op nieuwe aanwinsten domineerde zijn leven en ruïneerde dat van zijn vrouw en kinderen. Menig antiquaar bracht hij bovendien aan de bedelstaf omdat hij zijn rekeningen niet of veel te laat betaalde.

Werner Muesterberger. Foto door Deniz Saylan

Deze casus zou de in het eerste deel verwoorde theorieën moeten staven. Volgens Muensterberger komt verzamelen voort uit een traumatische ervaring, die de collectioneur in zijn vroege kindertijd heeft opgedaan. De verzamelaar probeert een gemis te compenseren en gevoelens van eenzaamheid en angst te beteugelen door zich met objecten te omringen, die een min of meer magische betekenis krijgen. Hij heeft bovendien een “phallic-narcissistic personality”, representeert het “anal-type” en is nog het best te vergelijken met een drugsverslaafde, die na elk shot een kort geluksgevoel ervaart.  Om dergelijk theorieën te bewijzen, is de casus van de doorgedraaide Phillipps ongetwijfeld erg geschikt. Als we Muensterberger mogen geloven, begon Phillipps met verzamelen om zijn gebrek aan moederliefde te compenseren. Er bestaan meer boekverzamelaars die min of meer voldoen aan het profiel van Phillipps; hier te lande was Boudewijn Büch daar wellicht aan aardig voorbeeld van. Merkwaardig genoeg heeft Muensterberger echter geen enkele interesse in de cultuurhistorische waarde van verzamelingen. Met name bij de bestudering van een boekverzameling, is dit een vreemd gemis. Eerder schreef ik dat boeken niet hetzelfde zijn als teksten, het zijn objecten. Maar het is evident dat boeken van belang zijn omdat zij teksten, dat wil zeggen een abstracte inhoud bevatten. Dit lijkt Muensterberger over het hoofd te zien. Voor hem is een boek een object als elk ander en het verzamelen van boeken verschilt niet wezenlijk van het verzamelen van bric-à-brac.

Stofomslag van Muensterbergers studie

Muensterberger had talloze historische en contemporaine verzamelaars kunnen uitkiezen voor wie het verzamelen van boeken meer was en is dan de bevrediging van een verslaving of de compensatie van moederliefde. Mensen als Isaac Vossius, Gabriel Naudé, Christina van Zweden, Herzog August zu Braunschweig und Lüneburg, Anna Amalia, Gotthold Ephraim Lessing, Hans Sloan, Joseph Banks, Arthur Alfonso Schomburg, Umberto Eco, Aaron Lansky om slechte enkele bekende voorbeelden te noemen, bouw(d)en  aanzienlijke bibliotheken op. Deze verzamelaars hadden ongetwijfeld verschillende redenen om een collectie aan te leggen, maar intellectuele interesse was overduidelijk een belangrijke drijfveer. De bibliotheken van dergelijke mensen en hun individuele verzamelmotieven zijn serieuze cultuurhistorische studies waard. Het werk van Muensterberger daarentegen bezit vooral curiositeitswaarde en hoort thuis in de categorie ‘varia et cursiosa’.

Advertisements
Dit bericht werd geplaatst in Bibliophiles en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s